Weer naar huis...
Dag 13: Haybes-Den Haag
De Thuisreis. Dus. Ik had nog wat meer tijd en had vanuit de Bourgogne nog naar de Elzas kunnen rijden en dan via de Eifel of de Ardennen naar huis kunnen gaan. Maar ik besloot dat het genoeg was geweest. Ik wilde weer naar huis, zo simpel was het!
De route van Haybes naar Den Haag is in principe simpel: een kilometer of dertig binnendoor en dan de snelweg pakken naar Namen en dan via Brussel en Antwerpen naar Den Haag. Iets meer dan drie uur rijden; negen uur weg, uiterlijk één uur thuis. Maar de complicatie is dat ik niet via de snelweg rij, en zeker niet de ringwegen rondom Brussel en Antwerpen. Dus dan moet je 'binnendoor' door België heen, en dat is een ware crime!
Er is geen land dat ik ken dat zo moeilijk binnendoor te doorkruisen is en waar het zo vervelend is om te rijden als België. De belangrijkste reden daarvoor is de bewegwijzering. Zelfs met een heel goede kaart raak je al snel de kluts kwijt. In dorpen, groot of klein, staat alleen het volgende, dichtstbijzijnde dorp aangegeven. En soms de heel grote steden en snelwegen, maar meestal niet. In andere landen vindt je op de borden aanwijzingen voor 'corridors' in een bepaalde richting: middelgrote steden die in een bepaalde richting met elkaar worden verbonden. Maar niet in België. Steden als Tienen, St. Truiden, Aarschot, Diest en Waremme zijn allen redelijk grote steden en verkeersknooppunten, maar worden niet als zodanig aangegeven in dorpen en stadjes een paar kilometers daarvandaan. Neem een dorp/stadje als Landen. Niet onaanzienlijk, en slechts op tien kilometer afstand gelegen van zowel Tienen (noordwest), St. Truiden (noord) en Tongeren (noordoost). Maar in het stadje staan slechts 'Rumsdorp' (1 kilometer verderop) en Gingelom (3 kilometer verderop) aangegeven. Dat betekent dus: om de paar kilometer stoppen en op de kaart kijken, in plaats van dat je gemakkelijk vanuit bijvoorbeeld Ciney via Andenne, Waremme, St. Truiden, Diest, Geel en Turnhout grofweg naar het noorden kan rijden. Dat kan ook wel, alleen het kost heel veel moeite. Maar sowieso rijd je door dorpjes en gehuchten waar zelfs Paul Jambers nog nooit van heeft gehoord. Ik dronk tegen twaalf uur een kop koffie in Geetbeets, ergens tussen Braaksel (geintje) en Rukkelingen (geen geintje), in Café 'Ascot'. Aan de toog zaten drie zwijgende mannen bier te drinken en te luisteren naar de onophoudelijk pratende waardin. Herkende ik die middelste man met gouden ketting en snor niet? ...overdag is Jean-Louis een respectabele beambte van de posterijen... Maar 's avonds kleedt hij zich om en verandert hij in een vlinder van de nacht... In het Café Ascot laat hij zich dan van een heel andere kant zien... Brrrrrrr.
En diegenen die nu zeggen koop dan een tomtom, jij zuunigerd hebben voor wat betreft het navigeren wel een punt, maar dat doet niets af aan het tweede grote probleem van het rijden in België: de onvoorstelbare lelijkheid en treurigheid van een groot deel van België. De kleinere wegen (vaak: beton-beton-betonwegen!) leiden langs verwaarloosde boerderijen, gehuchten waar vrijwel alle huizen de rolluiken naar beneden hebben, half-afgemaakte betonnen constructies en vage loodsen en bordkartonnen bedrijfsgebouwtjes. Allemaal potentiële crime scenes. En de grotere wegen (ik noem, voor fijnproevers en ramptoeristen, de N223 van Tienen naar Aarschot, 30 kilometer automotive hell) zijn een aaneenschakeling van schreeuwerige groothandels en doe-het-zelfzaken, afgewisseld met frietzaken en verstopte dorpjes waar de mensen schielijk tussen het stinkende vrachtverkeer heenlopen.
Om kort te gaan: vreselijk. Hoe hebben ze het zover kunnen laten komen? Hebben de Walen en de Vlamingen het zo druk met ruziemaken dat ze niet doorhebben dat hun land helemaal naar de knoppen is gegaan? Ik weet het niet. Maar vrolijk werd ik er niet van. Dat kwam ook door het weer: vanaf Haybes was het al urenlang donkergrijs en het werd richting het noorden steeds donkerder. Bij Baarle-Nassau reed ik Nederland in en begon het te regenen. Ook had ik veel last van een hele harde zijwind. Ik stopte om mijn regenpak aan te trekken en keek op de kaart. Vanaf dit punt is het niet makkelijk om recht naar het noorden te rijden, zeg maar tussen Breda en Tilburg door. Ik besloot om toch maar een stuk snelweg te nemen. Dus even later reed ik door de stromende regen van Breda naar Gorkum. Voorbij Gorkum nam ik de afslag Noordeloos en reed ik over de N214 naar Schoonhoven. Daar nam ik het pontje over de Lek en reed ik via Gouda en het laatste stukje A12 naar huis.
Een domper? Een vervelend einde van een lange reis (4884 kilometer) langs de binnenwegen van Duitsland, Oostenrijk, Italië en Frankrijk? Dat zeker niet. Ik heb het heel leuk gehad, ben op mijn gemak van land naar land, van regio naar regio gereden, heb een aantal van de mooiste motorwegen van Europa gereden, heb heerlijk gegeten en in leuke hotels geslapen. Als je zo binnendoor rijdt, krijg je heel veel mee van de verschillende landschappen, geuren en kleuren die Europa rijk is. Er is onvoorstelbaar veel rust, ruimte en pretentieloze schoonheid tussen de grote steden en geijkte bestemmingen in. Sterker nog: de rust en ruimte overheersen. En de stress en drukte van de grote steden en toeristengebieden vormen de uitzondering. Dat is een mooie conclusie, toch?
En nu ben ik simpelweg blij om weer thuis te zijn. Straks haal ik mijn dochter op van school en incasseer ik de eerste van de 'duizend kusjes' die ze me per SMS heeft beloofd...
Autun-Haybes
Dag 12: Autun-Haybes
Vandaag heb ik een prachtige -nee schitterende-, gedenkenswaardige -nee onvergetelijke- zorgvuldig geplande dwaaltocht door Midden- en Noord-Frankrijk gemaakt. Ik weet het: 'zorgvuldig gepland' en 'dwalen' gaat niet helemaal samen, maar toch voelde het zo. Vriend J., die dominee is, heeft me wel eens uitgescholden voor control freak toen ik tijdens een trip in Duisland met hem zo de route op dorpen en wegnummers plande. Maar ja, hij heeft de Heer die hem leidt, en ik niet! Gisteravond heb ik de route met Google Maps praktisch uit het hoofd geleerd en ik probeerde een mooie combinatie te maken van grotere en kleinere wegen. En dat lukte. Het eerste stuk ging naar Chatillon-sur-Seine, via Saulieu, Semur-en-Auxois en Montbard. Het was wel verrekte koud. Graadje of tien, max. In Semur, wat een schilderachtig stadje is, dronk ik een kop koffie om warm te worden in een donkere, treurige bar die bevolkt werd door een handvol zwijgende mensen. Tableau non-vivant, zal ik maar zeggen. Het weer was bijna winters. Donkergrijze hemel, snijdend windje. Maar bij Chatillon werd het lichter en kwam er af en toe een zonnetje bij. En weer een half uurtje later reed ik in de zon. Nog steeds fris, maar heel plezierig.
Met het zonnetje kwamen echter ook de insecten. Daar had ik gisteren al last van, maar vandaag moest ik af en toe stoppen om de meuk van mijn vizier te vegen. Nu heb ik mij laten vertellen dat er ontzettend veel verschillende soorten insecten zijn (...in fact: they are the ones who rule the world, not mankind..., hoorde ik David Attenborough eens zeggen op National Geographic), maar als motorrijder ontgaat je die nuance volkomen en maak je je eigen indeling van het Rijk der Vliegende Insecten. Op de motor, met een kilometertje of tachtig per uur, zijn er in feite maar drie soorten vliegende insecten. 1.) de kleine vliegende snotcontainers die geluidloos 'splet' doen op je vizier. Ze zijn er in soorten en maten, maar dat doet er niet toe. 2.) insecten die 'plok' doen als ze je vizier raken en dan terugstuiteren. En 3.) insecten die 'plok' doen en je steken als je je vizier open hebt staan. Geloof me, ik weet hoe dat voelt. Ziedaar! De hele zooi aan Linnaeus-taxonomie gereduceerd tot drie eenvoudige te onthouden categorieën. Wat is de menselijke geest toch in staat tot mooie dingen! Splet, Plok, of Plok-Auw. Niks meer aan doen, zou je zeggen. Maar toch kan het nog eenvoudiger. Bij een hogere snelheid, zeg 160 kilometer per uur, verdwijnt de categorie 'plok'. Alle 'plok-insecten' worden dan 'splet-insecten'. Of er bij die snelheid ook een nieuwe, interessante categorie 'splet-auw' bestaat, weet ik (nog) niet. Maar ik denk het wel. En toch: hoe harder je rijdt, des te eenvoudiger doet de wereld zich aan je voor. Denk daar maar eens over na!
Anyway, het werd dus fris maar mooi weer. En de wegen! Voorbij Chatillon, richting Vendreuve-sur-Barse en Brienne-le-Chateau, leek het alsof ik de wereld voor mij alleen had. Kleine wegen, heuvels, afgewisseld met verstilde dorpjes. Mooi! Ik heb een paar fotoos gemaakt die hopelijk laten zien wat ik bedoel. Verderop, als je het zuidelijk deel van de Champagne binnenrijdt, wordt het landschap heel anders: nog steeds heuvelachtig maar met kaarsrechte wegen door -denk ik- graanvelden heen. Heuveltje-op, heuveltje-af en heel overzichtelijk (Eveneens fotos). Dan krijg ik de neiging om het gas open te draaien en dat heb ik dan ook gedaan. Hoe hard wil een bepakte en bezakte TDM? Zo hard, dus.
Lunchen deed ik in Brienne-la-Vieille. Had ik al de loftrompet uitgestoken over de Franse horeca? Toch wel? OK, nog één keertje dan. In Brienne at ik de plat du jour, bestaande uit fantastische in tomatensaus gestoofde kip, met heerlijke freedom fries erbij en een salade mixte. Plat du jour was, hou je vast, 6 (zes) euro vijftigggggg. Salade 2 (twee) euro. Orangina (avec sa pulpe) erbij voor de dorst en een p'tit crème toe voor de caffeïne. Totaal iets meer dan 11 (elf, eleven, onze) euro! Kom er maar eens om.
Dus ik was een blije motard, op weg naar het noorden. Zonder moeite, en mooi rijdend, bereikte ik St. Ménéhould, ruim in het echte, pretentieloze maar mooie Noord-Frankrijk. Ik was enorm opgeschoten en besloot om wat te gaan dwalen in de buurt van Vouziers. Er zijn daar veel bossen (het Argonne-woud), Eerste-Wereldoorlog-monumenten en mooie kronkelende wegen. Anderhalf uur lang, losjes op de kaart navigerend, reed ik kriskras door het gebied. Ik ben een paar keer gestopt om naar de monumenten te kijken. De meest interessante waren de Kaiser-Tunnel (gebouwd voor Duitse troepenverplaatsingen) en de Abri du Kronprinz (gebouwd voor Kroonprins Wilhelm), allebei vlakbij Vouziers. Daarna reed ik naar Charleville-Mézières en pakte ik de n43 naar Givet. Om kwart over vijf was ik in Haybes, in hotel St. Hubert.
Nogmaals, vandaag was een geweldige motordag. Het weer, dat steeds beter werd, en de rust en uitgestrektheid van het landschap maakten dat ik helemaal blij werd. Natuurlijk: Italië en Corsica, met het warmere klimaat en spectaculaire natuur, vormen een klasse apart. Maar hier, in Noord-Frankrijk, dat door de meeste mensen als slechts als oninteressant doorgangsgebied naar het zonnige zuiden wordt beschouwd, kun je heerlijk vrij en rustig rijden. Blij dat ik hier langs ben gegaan!
St. Geniez d' Olt-Autun
Dag 11: St. Geniez d' Olt-Autun
De ochtend in St. Geniez was betoverend. Het dorp ligt precies tussen Niks en Nergens, dus er was geen lawaai. De kerkklok sloeg acht uur, ik zat op mijn balkon, in de verte blafte een hond, even verderop loeide een koe. Geen auto's, geen trams, niks. Na het ontbijt plande ik mijn route met google maps en mijn kaart. Het werd een flink stuk: 440 kilometer naar Autun, midden in de Bourgogne. Een beetje te lang, zoals later bleek.
Het probleem zat hem in het midden. Het eerste stuk was makkelijk: binnendoor van St. Geniez naar Espalion. Kleine wegen, maar Espalion staat al snel op de borden. Daarna rechtsaf de 921 op en dan zonder nadenken naar St. Flour, een dikke 80 kilometer. Het laatste stuk was ook eenvoudig: van Vichy naar Autun via de 994. Lapalisse, Le Donjon, Digoin, Gueugnon, Autun. Appeltje-eitje. Maar van St. Flour naar Vichy was 100 kilometer wirwar van kleine wegen. Er is daar geen logische doorgaande weg. Maar ik had de route goed bestudeerd en uitgeschreven.
Ik ging met schitterend weer op pad. Geweldige kleine wegen tot aan Espalion, en daarna met veel meer tempo via de 921 omhoog. St. Flour bereikte ik sneller dan ik dacht. 'Lunch in Brioude', dacht ik. Maar halverwege het middenstuk kwam ik die oude, wrede vijand tegen die mooie routes verknalt: wegwerkzaamheden. De hele d214 van weet-ik-veel tot lekker-belangrijk was dicht en er was geen omleiding. Maar die tien kilometer onbeduidende weg was wel mijn corridor naar doorgaande wegen. En mijn kaart is niet geschikt om alternatieve routes te vinden op dit ultra-zoom-niveau. Dus ik probeerde eromheen te komen, rijdend op de zon, de sterren, de maan, vluchten ganzen, whatever, maar dat mislukte volkomen. Na een uur blindelings links-rechts gereden te hebben was ik tot mijn teleurstelling in Issoire. Mooie stad, maar 60 km van waar ik had willen zijn. En van Issoire naar Vichy bestaat wederom geen makkelijke route.
Door dit gedoe verloor ik dik anderhalf uur. En mijn lunch. Want het gebied waar ik doorheen reed is er slecht aan toe. Alle horeca was hetzij (hoopvol) 'à vendre', danwel (hopeloos) 'fermée'. Uiteindelijk vond ik tegen drieën bij Thiers een McDonald's. Niet mijn favoriet, maar ik was heel blij met de cola, de friet en de cheeseburger. Toen ik op de kaart keek, schrok ik een beetje. Autun was nog echt een heel eind weg! Tsja, en dan ga je rijden om afstanden te overbruggen. Haast. Gassen. Het heeft wel wat maar het is niet relaxed. Voorbij Lapalisse keek ik bovenop een heuveltje naar het zuidwesten en zag ik een joekel van een onweersbui boven de heuvels bij Bourges hangen. Ik feliciteerde mezelf dat ik precies de andere kant op reed. Maar op het volgende heuveltje was de bui een heel stuk dichterbij gekomen. Hij haalde me in! Ik gaf nog wat gas bij en reed met zeer illegale snelheden door Digoin en Gueugnon. Maar iets verderop moest ik bijna een noodstop maken om mijn regenpak aan te trekken. De pleuris brak los! Donder, bliksem, slagregens. En op het bord vlak bij me stond Autun 35. Gelukkig viel de bliksem mee, want anders had ik echt moeten stoppen. Nu reed ik met mijn regenpak op 'kousevoeten' het laatste half uur.
In Autun was het heel druk, want er was een motortreffen in de stad. Precies voor mijn hotel! Honderden motoren, een podium met de onvermijdelijke blues brothers-imitatie-band en een hele hoop plastic bierglazen. Ik keek bezorgd naar het tafereel, want ik had zin in een lekker hapje eten en daarna RUSTIG slapen. Gelukkig braken ze de boel net op. Ik at lekker in het gemoedelijke Hotel Du Commerce et Touring en kletste wat met een illegale Roemeen die naar eigen zeggen te voet vanuit Brindisi naar Noord-Italië was gegaan, daar was uitgezet naar Slowakije (of all places) en wederom te voet via Oostenrijk en en wederom Noord-Italië in Frankrijk was aangekomen. En nu dus in Autun, werkend voor een lokale garage. Ik vroeg hem hoe hij 'illegaal' kon zijn gezien het feit dat Roemenië lid is van de EU, maar van de EU had hij nog nooit gehoord. Ik heb het maar zo gelaten, want het was al laat genoeg.
Gap-St. Geniez d' Olt
Dag 10: Gap-St. Geniez d' Olt
Gisteravond lag ik al om tien uur in bed. In de kamer naast mij arriveerde nog een luidruchtige groep Engelse motorrijders ('you cunt, you faggot! Give me that key!'), maar ik deed oordopjes in en viel als een blok in slaap. Maar voordat ik doorga met de dag van vandaag, toch nog even over Franse hotels. Vriend W. begint nu ongetwijfeld al geïrriteerd te zuchten, want hij heeft het niet zo op Fransen. Hij vindt ze arrogant. Wat een cliché! Doe dan eens moeite om de taal te leren, sukkel!
Maar anyway, neem nou het hotel waar ik gisteren was. Hotel Azur. In een dorpje aan een drukke weg. Je denkt als je langsrijdt 'is-ie open of is-ie hartstikke definitief dicht?' Open dus. Ouderwetse inrichting, dus ik vroeg voor de zekerheid of ook kon eten. De patron keek me verbaasd aan, mompelde iets bevestigends en ging door met glazen poetsen. Om half acht ging ik naar het restaurant en zag tot mijn verbazing een heel grote eetzaal met daarin minstens veertig gasten. Allemaal Fransen, op een wat ouder Nederlands stel na waarvan de man een FC Utrecht-shirt droeg. Toeval, W.? Er was twee-drie-vijf stuks bedienend personeel, allemaal vriendelijk en competent. Het dagmenu kostte zestien Euri en bestond uit een mooie salade met warme geitenkaas, een gegrilde forel met amandelschaafsel-saus, rijst en gestoomde groente, en kaas of een toetje. En het was allemaal prima. En volop keuze uit halve flesjes wijn voor wènig. En in Frankrijk kijken ze helemaal niet op van een eenzame eter. Je krijgt over het algemeen een mooi tafeltje en er wordt goed voor je gezorgd. Dat is toch helemaal geweldig? O ja, en dan het toetje. Natuurlijk kun je kiezen uit kaas of wat zoets, en als je iets zoets wil dreunt men altijd hetzelfde rijtje op: mousse au chocolat, île flottante, crème brulée, crème caramel... Lekker vertrouwd en meestal ook vertrouwd lekker. Sorry voor deze flauwe woordgrap. Maar waar het op neerkomt is dit: ik word daar blij van. Ik ga dan met een goed gevoel op pad en verheug me al op de volgende pleisterplaats.
Maar goed. Terug naar vandaag. Bij het ontbijt besloot ik om naar de Auvergne te rijden, via een zuidelijke route. Ik zette de route uit met Google Maps, prikte eigenlijk willekeurig het dorp St. Geniez d' Olt als eindbestemming (384 kilometer) en boekte daar een hotel met Booking.com, Het weer was schitterend: strakblauwe lucht, graadje of 20 en geen wind. Ideale omstandigheden. Ik nam de weg naar Veynes en sloeg verderop rechtsaf, de 994 (later d94) op naar Bollène. Die 994 is vanaf het begin een schitterende weg, langs de rivier de Eygues. In het begin zijn de bergen nog hoog, maar later, voorbij Nyons worden ze vlakker. Vanaf Veynes tot aan Nyons is een dik uur vloeiende bochten rijden. Met de snelheidsmeter op een kilometer of tachtig raakte ik al snel in de inmiddels bekende flow. In St. Paul-Trois-Chateaux at ik op het schitterende dorpspleintje een salade, en daarna stak ik de Rhône en de A7 over. Bij Bagnols-sur-Cèze nam ik de D6 naar Alès. Dat leek op de kaart een mooie weg, maar dat viel een beetje tegen. Veel rechte stukken. Maar dat kwam voorbij Alès helemaal goed. Ik nam de N106 richting Mende en die volgde ik bijna tot het eind, ik schat zo'n dikke100 kilometer. Wederom een droomweg, glooiend en kronkelend, met perfect asfalt. Die taxe de séjour in hotels betaal ik voortaan met een glimlach...
Nog even over die N106. In Frankrijk moet je namelijk oppassen met N-wegen. Zijn vaak echt doorgaand en vol met vrachtverkeer. Ik hou het dus meestal op de D-wegen. Maar ik zag op de kaart dat de N106, die tussen Alès en Mende loopt, verder geen grotere steden met elkaar verbindt. Dus ik gokte erop dat het rustig zou zijn, helemaal omdat het ook nog zaterdag was. En dat klopte ook. De eerste veertig kilometer was de weg 'gewoon' heel mooi, maar voorbij de Col de la Baraque gaat de weg behoorlijk omhoog, het Cevenne-plateau op. Dan rijd je dus op ongeveer duizend meter hoogte. Lekker koel. Je komt dan gedurende enkele tientallen kilometers geen dorpjes tegen; alleen maar natuurschoon met een kakelvers asfaltlint erdoorheen. Heerlijk.
Op een gegeven moment haalde ik een andere eenzame motorrijder in die op een oude off-the-road reed. Toen ik even later op picknickplek langs de weg stopte, stopte hij ook. Hij heette H., kwam uit Londen en verzocht mij om zijn naam niet te noemen op mijn reislog. People shouldn't recognize me. You know, I am not supposed to be here at all. Ik vroeg niet verder. Zal wel weer een halve oorlogsmisdadiger zijn. Been there. H. reed op een 500cc Armstrong off-the-road. Ik had er nog nooit van gehoord, en dat is ook niet zo raar, want de fabriek is eind jaren tachtig afgebrand. H. was al vijf weken onderweg en was via Duitsland, Polen, Slowakije, Roemenië, Bulgarije, en Griekenland naar Turkije gereden. En snel er weer uit. Too bloody expensive, over there. Dat is wat: rij je dat hele takke-eind ergens naartoe en dan smeer je hem weer omdat het daar te duur is. By the way: Turkije, duur? H. wilde eigenlijk doorrijden naar Spanje voor een Enduro-treffen maar hij was gisteren gevallen en had zijn rechterhand gekneusd. Kon niet goed meer remmen ging maar naar huis. Vroeg me hoever het was naar Calais. Ik zei dat dat wel een kilometer of duizend was (check: het is 949 kilometer) en zijn gezicht betrok. Die ferry ging hij morgen niet halen... Ik nam nog een foto van hem en zijn motor en beloofde hem onherkenbaar te maken. That's not necessary, zei hij, I'll just pop me sunglasses on. OK dan. Check de foto!
Bij Banassac stak ik, inmiddels aangekomen in de Aveyron, de A75 over en reed ik de laatste kilometers naar St. Geniez. Dat dorp is een aangename verrassing. Ik ben nog nooit in deze streek geweest maar het is hier rustig en heel mooi. En Hostellerie de la Poste is een prima hotel, aan het spreekwoordelijke pleintje-fonteintje. Goed gegokt!!!
Morgen rijd ik door de Auvergne naar het noorden. Daar neem ik de tijd voor, want ik ken een paar heel mooie wegen daar. De d988 (later d921) van Rodez naar St. Flour bijvoorbeeld. 120 kilometer motorplezier....
Nice-Gap
Dag 9: Nice-Gap
Om kwart over vijf werd ik wakker gemaakt door de omroepinstallatie. De restaurants waren open voor ontbijt. Wel vroeg, verdikkeme! Uit mijn raam kon ik de lichtjes van de kust van Frankrijk zien. Prachtig. Voelde me net een kleine jongen. Spannend!!! Na het douchen dronk ik een kop koffie en at ik een croissant. Ik realiseerde me dat ik nog steeds heel moe was. Eergisterochtend was ik nog op het vasteland van Italië. En inmiddels alweer een paar honderd hele harde kilometers gereden. In de ochtendschemering reed ik Nice uit. Althans, dat was de bedoeling. Ik wilde de D2204 nemen naar het noordoosten en daarna de D2566 naar het noorden. En dan langs de Italiaanse grens de Alpen in. Maar al bij La Trinité raakte ik de weg kwijt. Ik ging weliswaar de heuvels in, maar na een kilometer of vijftien kronkelde de weg terug naar Nice. Mijn kaart was niet geschikt om te kijken wat ik fout had gedaan, dus nam ik een alternatieve route. Ik nam de weg naar Antibes en volgde vervolgens de bordjes Digne en Grenoble. Deze brachten me op de N202. Het was enorm druk op de weg, en ik was chagrijnig dat ik, moe als ik was, de weg niet kon vinden in de drukte van Nice. En op de 202 was het ook heel erg druk. Maar na St. Martin-de-Var verdween al het verkeer. Het ene moment zat ik tussen het gestresste Franse woon-werkverkeer; het volgende moment had ik de weg voor me alleen. Geen idee waar alle auto's plotseling gebleven waren.
De N202, die in een diepe kloof de rivier de Var volgt, reed ik helemaal uit tot Digne. De zon scheen fel en de hemel was strakblauw. Maar wat was het koud! Ik reed de hele tijd in de schaduw van de bergen en na een kilometer of twintig, bij Villar-sur-Var, moest ik echt even stoppen om weer warm te worden met een kop koffie in het zonnetje. Ik staarde lang naar de kaart. Wat zou ik gaan doen? Via de Alpen, Jura en Vogezen naar het noorden of doorsteken naar de Languedoc en dan via de Auverge naar de Bourgogne? Of diagonaal door het land rijden en naar Normandië gaan? Ik kwam er niet uit en daar baalde ik van. Prachtig weer, tijd zat en Frankrijk ligt voor je open. Ga toch gewoon lekker rijden! Maar ik realiseerde me dat ik gewoon heel moe was. Ik had inmiddels 3000 km gereden, allemaal zware kilometers, en was dik een week van huis. Elke dag rijden, rijden, rijden... Je zou zomaar kunnen denken dat ik ergens op tijd moet zijn!
Op dit moment weet ik nog steeds niet welke route ik ga volgen. Ik zit nu in een dorpje bij Gap en ben nog steeds moe. De rit van vandaag was, na de koude start, heel erg mooi. Vanaf Digne nam ik de D900 naar Barcelonnette. Een kilometer of honderd prachtig, stil landschap dat steeds hoger en woester wordt. Daarna de Col de Vars genomen. 21-honderd-zoveel meter, fijne haarspeldjes. Geen verkeer! Daarna de N94 gevolgd naar Gap. Mooie weg, maar wel druk. Voorbij Gap, richting Veynes, ging ik op zoek naar een hotel. Het was half vijf en ik vond het wel mooi geweest. In het eerste dorpje, aan de D994, vond ik Hotel Azur. Eenvoudig hotel maar het restaurant is onverwacht groot en goed. Het zat vanavond helemaal vol! En nu ga ik slapen. Morgen verder. Of niet. Nou ja, ik zie wel. Ga nou slapen!!!
Pania-Ajaccio (Nice)
Dag 8: Piana-Ajaccio (Nice)
Vandaag vrij rijden op Corsica. Gisteren heb ik al hoog opgegeven van het rijden hier, en dat blijft staan. Ik zit nu op de boot naar Nice en ik ben doodmoe van het rijden. Heb het eiland van boven naar beneden en van links naar rechts doorkruist. Heb alles aan de grond gehad. Laarzen, voetsteunen. Laat mijn moeder het niet horen. Ik kan het kort houden: Corsica is de mooiste plek om motor te rijden. Period. Zal geen details geven. Kom zelf maar kijken! Kan wel zeggen dat de flow vandaag maximaal was. Er was wel een klein intermezzo: ik werd tegen tweeën behoorlijk nat. Bij bocht 1726 was het nog zonnig en droog; bij bocht 1731 was ik kleddernat. Geen kans om te schuilen of mijn regenpak aan te trekken. Plaatselijk buitje! Was niet erg, want tien bochten verder kon ik stoppen en mijn jas en broek laten drogen. Daarna weer warm en droog. Door de flow had ik wel extra tijd om over dingen na te denken.
Ik realiseerde me bijvoorbeeld dat het best lastig is om eerlijk te zijn in wat je schrijft. Een blog is een -liefst interessant- verslag van wat je meemaakt, maar in hoeverre moet je rekening houden met de gevoeligheden van het thuisfront? Vanochtend bijvoorbeeld heb ik me groen en geel geërgerd aan campers. De weg vanaf Piana naar het noorden gaat via spectaculaire rode rotsformaties die, in combinatie met het uitzicht over zee, kennelijk een toeristische trekpleister van jewelste zijn. De weg is echter ook extreem smal, en daar zit 'em de kneep. Elke inhaalplek (een uitsparing in de rotsen) werd bezet door een camper. 'Parkeren, motor uit, klaar. We hebben voor een week eten aan boord dus wie doet me wat'. Maar dit leidde wel tot aanzienlijke problemen voor het verkeer, met name autobussen die de extra ruimte in de bochten nodig hadden.
Anyway, ik was dus wel een beetje klaar met die campers. Ik kon geen foto nemen zonder dat er zo'n infuus op wielen werd meegenomen. Maar ja: mijn schoonouders hebben ook zo'n ding. Hun lust en hun leven. En -nu komt het- ik heb zelf vorige maand met vrouw en kinderen een rondreis door Amerika gemaakt met een camper. Ik hoor mijn schoonmoeder al verzuchten: 'wel een beetje jammer, Theo. En ook een beetje hypocriet. Was dat nou nodig?' Dat bedoel ik dus. Gedoe. Hoort dat erbij? Hoe ga je daarmee om? Zouden echte artiesten dat ook hebben?
Ik herinner me een liedje van Frank Boeijen waarin hij zingt ...ik wil nooit meer naar een verjaardagsfeest omdat ze vervelend zijn, vervelend zijn... Dus Frank komt thuis bij het vrouwtje met z'n nieuwe single onder zijn arm en ze zegt '...nou Frank, alsof je zelf zo'n gezellige Harry bent bij verjaardagsfeestjes. Weet je wat: je mag niet eens meer mee naar verjaardagsfeestjes. Lul de behanger! Met je nep-accent! Schrijf eens een liedje over rascisme ofzo in plaats van dat je mijn vriendinnen afzeikt'.
Ik lunchte heerlijk in Corti. Tegen twee uur reed ik naar het zuiden, met nog vijf uur rijden voor de boeg voordat ik in Ajaccio bij de veerboot moest zijn. Ik nam de hele lange binnenweg vanaf Vivario naar Sartès. Bijna honderd kilometer lastig asfalt en adembenemend uitzicht. Ik moest om de haverklap remmen of (nood-)stoppen voor koeien, wilde zwijnen, geiten en ezels. Daarna had ik nog tijd over en reed ik wederom schitterende wegen ten noorden van Ajaccio. Met name de D1 vanaf de 193 via Sari d'Orcino naar Tiuccia mag er wezen. Steil omhoog naar het schitterende dorp, daarna steil naar beneden richting de zee.
Om half zeven was ik in de haven van Ajaccio. Ruim op tijd dus. Ik kon meteen aan boord en was onder de indruk van de bediening aan boord. Overal vriendelijke stewards die je helpen. Ik had hut 6016. Klein, maar met alles erin. TV, koelkastje, WC, Douche. Lekker bed! Om zeven uur stond ik op het achterdek en daar ben ik, los van een hapje eten om een uurtje of half tien, tot elf uur blijven staan. Het heeft echt iets magisch, zo'n groot schip met een hele hoop bars, restaurants, een casino en een behoorlijke bioscoop. Exact om negen uur vertrokken we. Ik ging pas naar binnen toen Ajaccio uit het zicht was verdwenen. Slapen op de boot bleek een uitdaging, want we gingen behoorlijk heen-en-weer. Maar uiteindelijk viel ik toch in slaap.
Golfo Aranci-Piana
Dag 7: Golfo Aranci-Piana (Corsica)
Vanochtend was ik vroeg wakker, voor zes uur. Ik ontdekte dat het uitzicht uit mijn hotelkamer fantastisch was. De baai lag er schitterend bij en in de verte kwam de ferry aan. Om zeven uur ging ik op zoek naar ontbijt, maar dat bleek er niet te zijn. Bij een barretje even verderop kon ik gelukkig terecht voor koffie en een croissant. Om acht uur kon ik eindelijk internetten. Binnen tien minuten had ik een ticket plus eersteklas hut Ajaccio-Nice geboekt voor morgenavond, 21.00. De boot komt dan op vrijdagochtend tegen zeven uur aan. En weer tien minuten later had ik een hotel geboekt in Piana, aan de noordwestkust van Corsica. Daarna werkte ik mijn log bij met de verhalen en fotoos van de afgelopen twee dagen. Tegen half tien vertrok ik richting Santa Teresa, vanwaar de boot naar Corsica vertrekt. Het was verder dan ik dacht en pas tegen elf uur kwam ik aan bij de ferry-terminal. Ik kocht snel een kaartje (36 Euro, best duur!) en kon meteen aan boord. Om kwart over elf vertrok de boot voor een overtocht van een uur. Eenmaal op zee begon het hard te regenen en Corsica, in de verte, ging bedekt onder donkere wolken. Ik raakte aan de klets met Dirk, een Duitser uit Oldenburg die met zijn vrouw op vakantie was. Vriendelijke vent die me wist te vertellen dat vandaag qua weer de slechtste dag in weken zou zijn. Ik haalde mijn schouders op. Dan maar het regenpak aan.
Maar dat hoefde niet. Bij aankomst in Bonifacio trok het helemaal open en reed ik in het zonnetje de haven uit. Ik stopte nog even om te lunchen en reed daarna de N196 op richting Ajaccio: een lang, kronkelend asfaltlint van dik 140 kilometer. Daarna zou het nog een kilometer of zestig zijn langs de D81 via Cargèse naar Piana. Al met al best een pittige rit!
Na een kilometer of tien realiseerde ik me dat ik een heel nieuw register aan superlatieven zou moeten opentrekken om de weg te beschrijven. Een nieuwe taal zou moeten ontwikkelen waarin elk zelfstandig naamwoord standaard wordt voorafgegaan en gevolgd door minstens drie bijvoeglijke naamwoorden, bijwoorden en nog uit te vinden categorieën licht nuancerende taalkundige hulpconcepten. Wat een GEWELDIGE weg!!! Een paar dagen geleden schreef ik dat de 665 tussen Parma en Aulla het werk van Onze lieve Heer was, maar toen wist ik niet dat dat voor Hem slechts een achteloze vingeroefening was. En dat Hij een heel EILAND (en niet zo'n kleintje ook) zou scheppen voor Zijn eigen plezier en dat van andere motorrijders. Op verjaardagen hoor je wel eens dat Eskimo's wel veertig woorden voor 'sneeuw' hebben. Nou, het zou me niet verbazen als de Corsicanen zeventig verschillende woorden voor 'asfalt' hebben en nog een paar meer voor 'bocht'. En praktisch na elke bocht volgde een nieuwe, adembenemende vista. Baaien, bergen, wolken... Op een gegeven moment ben ik gestopt met fotoos nemen; het was gewoon teveel.
Om zes uur, dus na bijna vijf uur intensief sturen, arriveerde ik uitgeput in Piana. Het is hier rustig, ruig en mooi. Morgen rijd ik naar de noordpunt van het eiland, en daarna terug naar Ajaccio om de boot te pakken.
Tarquinia-Golfo Aranci
Dag 6: Tarquinia-Golfo Aranci
Ik werd wakker met een heel slecht humeur. Ik had erg slecht geslapen vanwege de warmte en de kloppende plek op mijn voorhoofd en voelde me zwak, ziek en misselijk. Had helemaaaaal geen zin in het gezoek en gedoe dat je kunt verwachten bij zo'n veerboot. Bij het ontbijt werd het ietsje beter: ik werd nota bene bediend door een vriendelijke dame, die erg haar best deed. Daar kunnen de dames bij de receptie van Hotel Tarcone nog wat van leren. De omgang met gasten leek ze af te houden van hun belangrijkste werk: het runnen van een hotel. Of eigenlijk andersom natuurlijk! En dames: 3 euro voor een kwartiertje internet is veel te duur. Foei!
Om elf uur vertrok ik naar Civitavecchia, een half uur rijden. Het vinden van de haven en de juiste terminal ging probleemloos. Het was ook helemaal niet druk en het wachten in het terminalgebouw was eigenlijk wel plezierig! De veerboot bleek veel groter dan ik had gedacht. Formaatje cruise-schip, bijna. En op de boot was het ook niet druk. Ik was als één van de eersten in het restaurant en at een lekker bordje pasta met gestoomde groenten. Voor wènig! Ik had me helemaal asociaal geïnstalleerd (tanktas op tafel, helm op een andere stoel, jas, laarzen uit) maar helaas kwam na een half uur een moeder met een ongeveer driejarig zoontje (MASSIMO!) vlak achter me zitten. De moeder leerde haar zoon gepassioneerd de basics van het Italiaanse leven: hard en veel praten. Het jochie had overigens een geel t-shirt aan waarop stond I ♥ Palestina. Interessant. Waar koop je zo'n t-shirt? Onwillekeurig schoot door me heen My mom went to the West Bank and all I got was a lousy t-shirt. Whatever. Na een uur had ik er genoeg van en ging ik op zoek naar een betere plek. Ik belandde op het achterdek, waar een zwembad was met een bar erbij (Piscine, heel origineel) en waar je op ouderwetse strandstoelen kon zitten. Die waren echter allemaal bezet maar na een kwartiertje lukte het me om een luidruchtig ruziënd Italiaan stel weg te kijken en één van hun twee stoelen in te pikken en naar een stil hoekje te slepen. Hetzelfde stel zag ik overigens na een paar uur innig vrijend op de overgebleven stoel zitten. Dat deed me deugd. Toch een goede daad gedaan, vandaag!
De rest van de overtocht bracht ik dommelend door op mijn strandstoel. Tegen kwart over zeven kwam Sardinië in zicht: donkere, hoge rotsen tegen een donkere, dreigende hemel. Check de fotoos! Om kwart voor acht meerden we aan en een half uur later reed ik de boot af. Golfo Aranci is een klein dorp dus het King's Hotel had ik snel gevonden. Inmiddels had ik besloten om te proberen morgen in Ajaccio de nachtboot (21.00) naar Toulon te nemen. Het lijkt raar om niet van Sardinië te genieten als je er bent, maar om eerlijk te zijn heb ik het wel een beetje gehad met Italië. Okay, de Val de Parma was goddelijk en het eten is overal heerlijk, maar het gebrek aan vriendelijkheid en vrolijkheid alhier ging toch ernstig op mijn zenuwen werken. Toscane viel me een beetje tegen. Mooie dorpjes, mooie natuur maar het is gewoon een beetje doods. En ik ben in de afgelopen drie dagen echt te weinig vriendelijke mensen tegengekomen. De bediening in restaurants, hotels en winkels varieert van 'routineus maar competent' via 'ongeïnteresseerd', tot 'verschillende gradaties van onvriendelijk'. En bijna niemand lacht! Een voorbeeldje: vandaag bij de veerboot stopte een stel met een bijna identieke TDM naast me. In elk ander land zou dat reden zijn voor een praatje, een glimlach of, op z'n minst, een knikje. Maar nee. Helemaal niets! Kijk, ik ben de taal niet machtig (maar doe wel mijn best) dus er zal een element schroom inzitten, maar toch: somberheid en afzijdigheid is hier troef. Dus ik heb zin om naar Frankrijk te gaan! Daar wordt je af en toe ook op spectaculaire wijze genegeerd maar ik ben de taal tenminste machtig en kan dus grammaticaal correct terugnegeren. Hou je in ieder geval de eer aan jezelf.
Maar eerlijk is eerlijk: ik zit nu in een heel leuk hotel (het King's Hotel) met -jawel- vriendelijke bediening. Helaas kan ik morgen pas op het internet.
Tot slot: de virtuele juke-box was gisteren stil. Mijn slechte humeur duwde alle andere mentale activiteiten weg. Ben benieuwd wat ik morgen ga doen. Als het lukt de nachtboot naar Toulon te boeken doe ik dat en rij ik morgen een dag kriskras door Corsica. Als dat niet lukt, neem ik de volgende dag een boot en boek ik een mooi hotel in het noorden van Corsica!