Pescia-Tarquinia

Dag 5: Pescia-Tarquinia


Laat ik er maar geen doekjes om winden: vandaag was een matige dag, waarbij alles uiteindelijk toch redelijk goed kwam. Ik vertrok om half tien uit het hotel nabij Pescia. Op mijn prima 1:650.000 (Freytag & Berndt) kaart was het heel lastig om uit te vogelen hoe ik de eerste 40 km op de doorgaande weg van Empoli naar Siena (de 429) moest komen. En deze kaart hield bij Siena op. Daarna zou ik moeten vertrouwen op een heel matige 1:800.000 kaart (Hallwag) van Noord-Italië, en die gaf buiten de heel erg doorgaande wegen totaal geen houvast. Het eerste stukje had ik in het hoofd geprent: van Pescia naar Montecatini naar Monsummano naar Lamporecchio naar Fucecchio. En dan vlak voor Empoli de 429 op.


Dat ik het gevonden heb is een waar mirakel. Het gebied waarin deze stadjes liggen laat zich het best omschrijven als een gigantisch, door een kleuter ontworpen industrieterrein met dorpjes ertussen. En daar reed ik dus, in de maandagochtend-drukte. Het krankzinnige overige verkeer ontwijkend en tegelijkertijd zoekend naar houvast en bordjes. Dat viel niet mee, maar de bordjes hingen er verdikkeme gewoon wèl! Twee keer heb ik gegokt en goed gegokt; één keer moest ik omdraaien omdat ik een bordje te laat zag. Maar na een dik uur was ik er door. Daarna ging ik op zoek naar een betere kaart. Ik stopte bij een stuk of vier tankstations, maar kaarten waren niet verkrijgbaar. Dat zou betekenen dat ik op de borden zou moeten rijden, grosso modo van Siena richting Viterbo, en dat ik niet de kleinere wegen kon nemen.


Mijn humeur werd er niet beter op toen ik ontdekte dat de 429 een vreselijke weg is. Slecht wegdek en voortrazend doorgaand dieselverkeer. Inhalen erg lastig vanwege de vele afslagen. Na een half uur was ik er helemaal klaar mee. Waar de 665 (zie gisteren) goddelijk was, leek dit eerder werk van de duivel te zijn. Ik herdoopte de weg dan ook tot '666'. Maar dit de komende 250 kilometer? En dan ook nog dor het centrum van een paar grote steden rijden? Ai! Bij Certaldo besloot ik de kaart nog één keer te bestuderen en te kijken of ik een werkbare alternatieve route kon vinden. Ik zag een klein logisch stukje dat me in ieder geval langs Siena zou brengen: van San Gimignano naar Colle, dan een stukje de 541 volgen en dan ergens links terug naar de doorgaande weg. Ik keerde om de afslag te nemen en zag aan mijn rechterhand een tankstation. In een opwelling stopte ik en, verdorie-nog-an-toe: daar lag een kaart van Toscane, 1:250.000. Prima details, alle wegnummers, alle dorpjes...


Dus vanaf dat punt kon ik een route uitzetten van dorp tot dorp. Dat ging gedurende twee uur lang prima en ik reed met mooi weer door mooi Toscane. Dorpje-op-heuvel, bochtjes, uitzicht, etc. Maar toen stuitte ik op een ragfijn-samenspannend cluster wegwerkzaamheden tussen een stuk of zes dorpen en werd ik gedwongen naar de doorgaande weg terug te gaan. Niet de goede, maar de 223 richting Grosetto. Maar daar kon ik na een paar kilometer wel weer vanaf om binnendoor de juiste richting weer te vinden. Nou, niet dus! Ook hier was sprake van Groot Onderhoud en waren de eerste vier-vijf afslagen gewoon dicht. Dus daar ging ik weer, met 70-80 achter een colonne vrachtwagens. Tunnel in, tunnel uit. Pas na een kilometer of veertig, bij Paganico, kon ik er weer af. Ik nam de (zeer bochtige) weg die me via Cinigiano, Arcidosso en Pitigliano naar het Lago di Bolsena zou brengen. Gezien de vele bochten en het zeer matige asfalt vond ik het lastig om in te schatten waar ik tegen het einde van de middag zou zijn. Bij het meer, of verder? Eigenlijk wilde ik in de buurt van Civitavecchia eindigen, om van daaruit morgen de veerboot naar Corsica te nemen.


Tegen half vijf was ik bij het meer, in Capodimonte. Ik maakte een korte stop (fotoos) en besloot om door te rijden naar een dorp in de buurt van Civitavecchia. Ik schatte in dat dat een uurtje rijden zou zijn. Dus ik nam de weg naar Tuscania om van daaruit naar Monte Romano te rijden. Daarna zou ik een hotel zoeken. Maar ja, zoals die dingen gaan: ik miste een afslag. Dat merkte ik pas na een kilometer of vijf en ik besloot om niet om te keren maar om via kleine weggetjes een stuk af te snijden naar de juiste weg. Links, links, en dan moest het wel goed komen. Terwijl ik zocht naar de eerste afslag links, rijdend met het vizier open, vloog er een groot insect in mijn gezicht, vlak boven de brug van mijn neus, in de rechter oogkas. De pijn was aanzienlijk maar werd twee seconden later acuut: ik werd gestoken. Het was een wesp. Na een noodstop verwijderde ik het beest (dat nog aan me vast zat) uit mijn gezicht. Chips! Hoe zou ik reageren op een wespesteek op deze plek? Een enorme zwelling ofzo? Ik besloot om dat maar niet af te wachten maar zo snel mogelijk een hotel te vinden. En aangezien ik op de weg naar Tarquinia zat, werd het dus ook Tarquinia. Daar vond ik meteen een hotel (Tarcone), bovenin het stadje. Uitzicht op zee!


In het hotel ging ik meteen aan de gang om een veerboot naar Corsica en een hotel te boeken. Dat eerste lukte niet. De reserveringssite van de rederij lag eruit en ook telefonisch kwam ik er niet door. Omdat ik toch morgen van vasteland-Italië weg wilde, boekte ik maar een ticket naar Golfo Aranci, in het noorden van Sardinië. Van daaruit is het maar een klein stukje naar de noordpunt van het eiland, vanwaar je in ongeveer 40 minuten met de boot op Corsica kan komen. De orijs van het ticket viel me mee: minder dan 25 euro voor een overtocht van meer dan 5 uur. Had verwacht dat dat veel duurder zou zijn. Daarna boekte ik via Booking.com een hotel in Golfo Aranci, op 500 meter van de haven.


Nadat ik mezelf had opgefrist en de zwelling op mijn hoofd had bekeken, ging ik eten in het restaurant van het hotel. Er waren geen andere gasten. Ik vond dat niet erg. Met een boekje erbij en wat kaarten om te bestuderen vermaak ik me wel. Ik was blij met de boeking die ik had gemaakt. De vertrektijd was 14.15. Dat gaf mij de tijd om uit te slapen en toch ruim op tijd bij de veerboot te zijn!

Roncone-Pescia

Dag 4: Roncone-Pescia


Wat een dag, wat een trip! Het waren niet zo heel veel kilometers, dik 400, maar jemig wat heb ik vandaag gereden. Het begon een beetje zorgwekkend, met dikke donkere wolken boven de vallei waar Roncone in ligt. Maar ik besloot toch het regenpak uit te laten. De eerste 40 kilometer waren rustig en mooi. Zondagochtend, weinig verkeer. Dat veranderde rap in Salò, waar ik de 572 nam naar Desenzano. Plotseling zat ik in een kilometerslange enorme file die stapvoets langs de zuidelijke kant van het Gardameer kroop. Vlak voor Desenzano nam ik een kleine weg naar Lonato en was ik de drukte kwijt. Vanaf daar ging het eigenlijk in een rechte lijn binnendoor naar beneden, langs Carpenédolo, Ásola en Casal-Maggiore, waar ik de Po overstak. Het landschap was non-descript, de lucht dreigend. Ik was eigenlijk van plan om naar Reggio nell Emilia te rijden en van daaruit de 63 door de bergen te nemen, maar het bleek te moeilijk om met mijn kaart (1 op 650.000) een logische weg te vinden. Nadat ik de kaart goed had bestudeerd, besloot ik om naar Parma te rijden, daar de ring te nemen en dan ten zuiden van de stad de 665 te nemen, die evenwijdig aan de 63 loopt. Dat klinkt makkelijk, maar met een kaart op deze schaal is een forse stad als Parma een vlek van een halve bij een halve centimeter. En zie dan maar eens de juiste afslag te vinden. Ik was er dus niet gerust op en bereidde me voor op een frustrerende zoektocht, waarschijnlijk in de regen. Want die leek onvermijdelijk. Tot mijn grote verbazing nam ik een half uurtje later feilloos de afslag naar de 665 richting Langhirano. Ik was zo verbaasd dat ik stopte om te triple-checken of ik me niet grandioos vergiste en na een paar uur het bordje 'Österreich' zou zien opdoemen.


Maar alles klopte en in de verte zag ik de bergen opdoemen. De lucht boven de bergen was afwisselend eng donker en mooi licht, en recht voor me uit was het mooi licht. Het zou toch niet waar zijn? Na een kilometer of tien was ik alle doorgaand verkeer kwijt en reed ik drie uur lang op mijn gemotoriseerde leunstoel door de Val Parma e Cedra. God's Eigen Moestuin, bedacht ik, want het was per slot van rekening zondag. Tomaten, appels, graan, perziken, truffels... Alles wat eten lekker maakt stond in grote hoeveelheden langs de weg. En om de paar kilometer een hamfabriek met dito geuren. Geweldig! En de weg was perfect. Heel mooi asfalt, fijne bochten. Ik raakte al snel in de flow die motorrijden zo mooi maakt. Bochtjes. Dorpje. Uitzicht. Bochtjes. Dorpje. Uitzicht. Etc. etc. En op de zevende dag schiep Hij de 665 tussen Parma en Aulla. Want Hij had zin om een stukje te rijden. Het was zondag, weet je nog?


Door het intensieve rijden had ik geen tijd voor overpeinzingen of beslommeringen. Eigenlijk had ik helemaal geen humeur. Ik was aan het rijden... Hoewel: toch een paar kleine observaties. Italianen zijn nogal heel erg Italiaans. Veel meer dan bijvoorbeeld Duitsers Duits zijn. 'Wie dus logisch is', om met JC te spreken. Ik bedoel maar: in Duitsland vind je nog wel eens een Duitser zonder Mercedes of interessante bril. Maar in Italië doet iedereen wat Italianen behoren te doen. Elk dorpje dat ik tegenkwam had een barretje met naar escapisme riekende namen als Starlight, Venus of zelfs Las Vegas. En bij ieder barretje zaten oudere mannen spelletjes te spelen (een vorm van gestileerde beslechting van eeuwenoude familievetes. Denk ik) en zaten jonge jongens met zonnebrillen op de krant te lezen en elkaar voor het oog van de meisjes op elkaars schouders te timmeren. Op naar de volgende familievete. Denk ik. Ik at een broodje (Parmaham, natuurlijk) in Ranzano en werd vol-le-dig genegeerd door de jeugd en de ouderen. De jeugd had het te druk met timmeren en flirten; de ouderen betwistten elkaar luidkeels en met rode hoofden de winst in een spelletje met speelkaarten en dobbelstenen. Dat krijg je van die nodeloos ingewikkelde spelletjes. Ruzie.


Anyway, vlak voor Aulla sloeg ik linksaf en nam ik de 445 naar Lucca. De 445 is in essentie een kopie van de 665, met het verschil dat de weg grosso modo oost-west loopt in plaats van noord-zuid. God houdt kennelijk niet van half werk. Toen ik afsloeg zag ik dat Lucca nog 90 kilometer was. 90 kilometer bochtje-dorpje-uitzicht. Het was al half vier. Ik zuchtte. Ik had al duizend bochten gehad. Vroeg stoppen vandaag? Maar nee, no way. Ik rechtte de schouders en gaf gas. Rijden!


Bij Lucca werd het weer ouderwets Italiaans druk. Mijn plan om door Lucca heen te rijden en richting Pontedera een hotel te zoeken ging het raam uit, ook omdat het al na zessen was. Ik nam tien kilometer voor Lucca een willekeurige afslag en verdwaalde terstond en onherroepelijk. Ik volgde bordjes naar een hotel dat vijftien kilometer de bergen in bleek te liggen en bovendien vol was. Zucht. Op de tast reed ik terug de vallei in en zag dat ik vlakbij Pescia was. Dan daar maar naartoe. Op de weg naar Pescia reed ik langs Hotel Country Club en daar zit ik nu. Het hotel is met geen pen te beschrijven maar het is een groot, veelhoekig geval met veel vleugels en loopbruggen. Denk jaren zestig. Denk beton. Charmant in een Sophia-Loren-meets-Josef Stalin kind of way. Check de fotoos!


Maar het is goed hier. Toscane ligt voor me open en het is heerlijk weer. Doesn't get better than this, does it?

Marktoberdorf-Roncone

Dag 3: Marktoberdorf-Roncone


De dag begon niet heel goed. Het was half bewolkt en er dreven grote regenwolken over. Ik checkte het weerbericht en zag tot mijn schrik dat de verwachting voor heel Noord-Italië tot en met dinsdag erg slecht was. Tot voorbij Florence: regen en onweer. Ook vandaag zou het weer in de Alpen onvoorspelbaar zijn. Daar zat ik niet op te wachten. De Alpen over in de stromende regen... Glibberdeglibber door ontelbare haarspeldbochten: brrrrrrr. En dan het vooruitzicht van minimaal twee regendagen op weg naar Civitavecchia: Ieuwwww. Ik overwoog om mijn reisplan radicaal om te gooien. Langs de Alpen naar het Westen, bij Mulhouse Frankrijk in en dan maar naar... ...naar Noord-Spanje. Ofzo. Maar nee, dat wilde ik niet. Dan maar even doorbijten en daarna van de zon genieten op Sardinië! Die beslissing deed me goed, maar ik voelde me toch tamelijk somber. Dat werd bij het ontbijt niet beter. Ik zat aan tafel met twee Amerikanen die ik de avond tevoren had ontmoet. Ook motorrijders. Harley uiteraard! Schoonvader en schoonzoon, ik noem ze senior en junior. Junior was sergeant in het Amerikaanse leger en gestationeerd vlakbij Allgau. Hij was 'sniper/close combat specialist/insurgent-control special forces/hand-to-hand inflitration instructor' Of zoiets. En het was hem aan te zien. Even breed als lang, tattoos all over the place, zwarte band in een handvol vechtsporten. Tot zover alles prima, zou je zeggen.


Junior vertelde gisteravond in één monotoon verhaal, half lachend-hyperventilerend, wat hij allemaal had uitgespookt als militair en als privé-persoon. Het was een bizar verhaal van geweld, wraak, rancune tegen de duvel en z'n ouwe moer, intimidatie en nog wat narigheid. En senior keek me bij iedere sub-punchline doordringend aan en mompelde dan iets als 'you tell him...' 'damn right...' of andere teksten uit Tarrantino-films. Lekker, dacht ik. Heb ik weer. Zit ik te drinken met een hyperventilerende halve oorlogsmisdadiger en z'n schoonvader. En het verhaal ging vanochtend dus gewoon verder. Weer over mensen die dachten dat ze met junior konden fucken maar die dan van een koude kermis thuiskwamen, of nog erger. Toen ik tegen negenen wegreed, was mijn humeur gewoon slecht. En hoe dichter ik bij de Alpen kwam, des te dreigender werden de wolken. Scheisse! Vanaf de Oostenrijkse grens, bij Reutte, liep het verkeer vast. Tot Imst, zo'n 50 kilometer, reed ik in een hele lange file. Maar de regen viel mee. Af en toe wat spatjes, meer niet. Vanaf de afslag naar het Ötztal loste het verkeer op en kon ik een beetje doorrijden. Het zonnetje kwam erbij en ik reed wel lekker. Mijn nieuwe voorband voelde heel goed aan en de bochtjes gingen heel vloeiend. Voorbij Sölden werd het echt hoog en koud. Aan het begin van de Timmelsjoch-pas moest ik tol betalen (12 Euri, niet misselijk) en daarna was het aan één stuk haarspeldjes rijden geblazen. Dat ging prima, maar het was wel heel druk. Erg veel 'sportende' motorrijders. Ik niet. Ik reed mijn eigen race in een bejaard maar steady tempo. Was allang blij dat de bochten goed gingen, want sinds mijn ongeluk, vorig jaar, was mijn vertrouwen in de wetten van de adhesie niet meer helemaal hersteld. Aan de Italiaanse kant van de pas werd het echt mooi weer en ook veel warmer. Een graadje of 25. En toen ik bij Merano de 238 nam naar Cles werd het erg rustig op de weg. Bij Malè nam ik de 239, een prachtige weg die evenwijdig aan het Gardameer loopt. Heerlijk rijden; perfect asfalt, weinig verkeer. Maar toch bleef het slechte humeur een beetje hangen.


Voorbij Tione begon het weer te motregenen. Verderop in de vallei zag het er niet goed uit, dus ik besloot een hotel te zoeken terwijl het nog voor vijven was. In Roncone zag ik een Albergo langs de weg. Meteen raak Voor 27 Euri (een record) heb ik een prima kamer met ontbijt en gratis wifi. Nu nog wat aan het humeur doen...


O ja. De muziek van vandaag. De virtuele jukebox startte op, heel raar, met Are you watching me, watching you van Shakatak. GEEN idee waar dat vandaan kwam. Brrrr. Daar kwam ik vanaf door te switchen naar Garden Party van Mezzoforte. En dat waaide zo weer weg. Je moet je geest af en toe een beetje foppen, nietwaar? Later die dag kwam er een halve verzamel-CD met opgewekte post-punk langs, van I have a date van The Vandals via When I come around van Green Day naar Sad but true van Flipper (oospronkelijk van Metallica!). Dat laatste is geen opgewekt liedje (verre van) maar het deed me denken aan junior en senior en hun verhalen, eerder vandaag.


Morgen eens kijken wat het weer doet en door naar het zuiden, regen of geen regen!

Lauterbach-Marktoberdorf

Dag 2: Lauterbach-Marktoberdorf

De dag begon grauw en koud, met de belofte van nattigheid. Ik had geen zin in een dag regen maar ik dacht dat het wel goed zou komen. Het ontbijt in het hotel was prima, met lekkere koffie, broodjes, kaas, vlees en een eitje. Ik had gezelschap van een verdrietig ogende Duitser, die een gesprek begon. Hij was een buitendienstmedewerker uit Hamburg. Er waren teveel Nederlanders in het Sauerland (eerder gehoord). Alle goedkope huizen werden bezet door Turken waardoor er voor Duitsers alleen maar dure huizen overbleven (nooit eerder gehoord). Zijn Mercedes 220 CDI was een schijtauto (sic); de reparatiedienst van Mercedes was slecht; de wegen in Duitsland waren schandalig slecht, behalve in Thüringen, want daar ging al het belastinggeld heen na de Wende. Hij waarschuwde me dat ik moest oppassen voor 'Blitzer', die op elke straathoek stonden. Ik vertelde hem dat de meeste Duitse flitskasten van voren flitsen, waardoor je er als motorrijder weinig last van hebt. Gewoon lachen en zwaaien. Dit raakte deze Avondlandbewoner als een klap met de vlakke hand in het gezicht. Hij vertrok zijn gezicht van pijn. Hij vroeg me waar ik heen ging. Ik zei 'Oostenrijk'. Hij zei dat ik dan tol moest betalen. Ik zei dat ik niet over de snelweg zou gaan. Alweer vertrok hij zijn gezicht van de pijn. Hij stond op en adviseerde me om op weg te gaan vòòr het zou gaan regenen. Ik schonk nog wat koffie in.


Na een uurtje rijden, even voorbij Fulda, brak de zon door. Tot op dat moment was het droog, maar erg fris. Een graadje of vijftien. Ik had al een kilometer of zestig achter de kiezen. Prachtige wegen in een mooi, glooiend landschap. Maar de zon maakt alle moois schitterend! De route die ik thuis had uitgeschreven was bijna perfect. Afwisselend doorgaande secundaire wegen en kleinere binnendoorwegen. Ik heb de hele dag maar een keer of vier op de kaart hoeven kijken. En halverwege de dag moest ik dertig kilometer omrijden omdat de weg tussen Nördlingen en Reimlingen niet bleek te bestaan. Ik zweer het je!


Zoals dat gaat op de motor, met tweevijfde van je systeem aan het werk om op de weg te blijven, andere weggebruikers te ontwijken en bochten netjes te nemen, en tweevijfde kauwend op stroperige gedachten, glippen er in de resterende 20% muziekjes binnen. Een raar fenomeen: je kunt deze muziekjes niet oproepen en je realiseert je te laat dat ze er zijn. Vandaag ben ik minstens twee uur bezig geweest met een mash-up van Eric Clapton's Tears in Heaven en Wonderful Tonight. Van die vreselijke unplugged CD. Ieuwwwwww, wat lijken die nummers op elkaar. En waarom? Wat deed mij, in een snelle, vloeiende bocht ter hoogte van Bad Brückenau, denken aan Eric Clapton? Beats me. Later op de dag passeerde vrijwel het gehele mij bekende Neue Deutsche Welle oeuvre de revue, te beginnen met de Spider Murphy Gang (“...und draußen in Hotel l'Amour, langweilen sich die Damen Nur...), via de Ina Deter Band (Ich sprüh's auf jeder Wand: neue Männer braucht das Land”) naar het wezenloze Doot van (meen ik) Frör. Of Freur. Ofzo.


Al rijdend door 'small town Germany' en met de juiste soundtrack in de virtuele jukebox ging ik onwillekeurig nadenken over Duitsland. Vriend W., met wie ik regelmatig motortrips door Duitsland maak, weet dat ik dan altijd tot dezelfde gedachten en conclusies kom. Om te beginnen: het is een prachtig land. Subliem voor motorrijders. Eindeloze meanderende wegen. Top-asfalt. Lekker en niet duur eten, drinken en slapen. Maar ten tweede, en dit is belangrijker: er is in het hele land geen REET te doen. Ik herhaal dit want dit is een duurzaam inzicht. Er. Is. In. Duitsland. Geen. Reet. Te. Doen. Mooie dorpjes waar geen mens te zien is. Geen kinderen op straat. Een prachtig pleintje met vakwerkhuisjes. Niemand te zien. Een mooie konditorei met heerlijke koffie en gebak maar bevolkt door zwijgend personeel en zes fluisterende bejaarden. Het is verbazingwekkend en onbegrijpelijk dat Duitsers op de Autobahn en op binnenwegen zo hard van A naar B gaan. Want in A is geen REET te doen en in B is geen REET te doen. Dus waarom zouden ze zich zo haasten? Geen idee. Maar ik weet wel dat ik na een paar dagen in Duitsland snak naar vrolijkheid en drukte. Italië. Dan maar. Dus...


Maar goed. Al rijdend werd het warmer en werden de heuvels wat geprononceerder en uitdagender. Onwillekeurig ging m'n tempo omhoog. 120-130 op de doorgaande wegen; 90-100 op de kleinere wegen. Vroeg in de middag experimenteerde ik met de camera: ik plakte hem met ductape op mijn tanktas, zodat hij door het windscherm het dashboard en de weg zou opnemen. Dat lukte best wel maar ik merkte dat ik al filmend toch anders ging rijden dan normaal. Een beetje verkrampt. Ik kreeg visioenen van het filmen van mijn eigen crash. Bochtje rechts, bochtje links, Klabang! Niet een goede manier om de Dumpert te halen. Eraf dus met dat ding.


De geplande plaats van bestemming haalde ik eerder dan ik dacht. Tegen kwart over vijf was ik aan de voet van de Alpen. In Marktoberdorf reed ik langs Hotel Zum Hirsch. Met terras. En daar zit ik nu dus! Morgen een interessante rit door Oostenrijk naar Noord-Italië. Ik ben nog maar twee keer eerder in de Alpen geweest. De laatste keer was zes jaar geleden, dus ik vind het wel spannend. Daar komt bij dat eerder deze week in het gebied rond de Zugspitze (hier 20 km vandaan) 50 centimeter sneeuw is gevallen. 50 centimeter! Regen: okay. Sneeuw: niet-okay. Maar goed, we zien wel!


Den Haag-Lauterbach

Dag 1: Den Haag-Lauterbach


Om 08.56 vertrokken voor het eerste, bekende, lange stuk van de trip: binnendoor naar Arnhem. Het weer was goed en ik voelde me ook goed. Wel zat ik wat te zuchten en te klagen over het eerste stuk: van Den Haag naar de Duitse grens is binnendoor echt wel een mijl op fokking zeven. Veel meer dan 50 km per uur gemiddeld haal je niet, dus voordat je bij Arnhem bent, ben je zo drie uur verder. Maar na Doesburg werd het leuker en rustiger. Wel trok het helemaal dicht richting de Duitse grens, dus ik vroeg me af of ik het wel droog zou houden. Om kwart voor één, met de dagteller exact op 200 km, reed ik Duitsland binnen, bij Bocholt. Ik verwachtte dat ik in dld leker zou kunnen opschieten, maar dat viel erg tegen. Veel verkeer, stoplichten, wegwerkzaamheden. Niet erg leuk. De grijze lucht zorgde ervoor dat ik lichtelijk somber werd. Vaak schiet dan onwillekeurig De Bom van Doe Maar te binnen. Keurig liedje voor als het dreigt te gaan regenen (laat maar vallen want het komt er toch wel van...) Zo ook nu. Maar ik herinnerde me dat ik Ernszt Janszsz, of hoe hij ook moge heten, een paar weken geleden op TV vertelde dat De Bom helemaal niet over de angst voor de bom gaat maar over een meisje. Het blijkt gewoon bedoeld te zijn als een liefdesliedje! Hupsakee, daar gaan de jeugdherinneringen van honderdduizenden trillende pubers. Niks angst. Gewoon geiligheid zoals altijd. Gotsamme. En die Janszsz keek er ook nog bij met zo'n hoofd van 'ach het was allemaal maar gekkigheid wat we deden'. Niet dat ik zo'n Doe Maar fan was, Maar toch: zijn er dan helemaal geen jeugdhelden die ook als ze ouder zijn nog geloven in wat ze toen deden? Damals...


Anyway, tegen half drie ging ik tanken bij Aschenberg. 293 km op de teller. 13,5 liter benzine. Mooi gemiddelde! Ik had niet gelunchd (en vanochtend thuis alleen een banaan gegeten en bij Woudenberg een kop koffie met een gevulde koek!) dus ik nam even een kwartietje voor wat 'sportkeks' en koffie. En een peuk natuurlijk. Toen ik weer wegreed, richting Soest, begon het licht te regenen. Niet voldoende om echt nat te worden maar de lucht zag er verderop heel dreigend uit. Een kwartier lang heb ik getwijfeld of ik mijn (nieuwe) regenpak zou aantrekken, omdat ik geen zin had in nog een omkleedactie als het zou blijken mee te vallen. Maar het werd echt te nat. Dus regenpak aan. De schande van een verkeerde keuze werd me bespaard, want het heeft na half drie tot zes uur geregend. Niet heel hard, beetje 'miezer-plus' (om het in politieke termen uit te drukken), maar toch wel heel erg nat. Gek genoeg werd ik er niet somber(der) van. Ik had het lekker warm en ik reed prima op de natte weg. Even later kreeg mijn humeur wel een fikse knauw: na Meschede richting Winterberg was het bizar druk. Ik heb bijna een uur in de file gestaan. In de regen. Ik dacht: daar gaat mijn schema. Ik kom niet eens in de buurt van wat ik gepland had. Nog geen 400 km gereden en het is al half vijf! Maar uiteindelijk loste het verkeer op en reed ik over een prachtige weg naar Frankenberg. Daarna was het eveneens heel mooi richting Schwalmstadt en Gemünden. Vlakbij Alsfeld langs de 254 zag ik een bord van een hotel dat lekker eten en drinken beloofde. Ik besloot om het maar te doen. 480 van de geplande 510 op de teller, morgen dan maar wat vroeger weg. Het hotel bleek midden in de wildernis de liggen, een kilometer of tien van de doorgaande weg, laatste twee kilometer grindpad. 'Anlieger bis hotel Frei'. Ja, dank je de neukende koekkoek. Maar ik dacht echt dat ik weer een horeca-pareltje zou vinden. Niet dus. Het hotel was dicht. Ik dus terug, naar de doorgaande weg, naar Alsfeld. En daar zag ik dat Lauterbach, mijn doel, nog maar 15 km was. Het was bijna zeven uur maar ik dacht: doorrijden. En in een dorpje vlak voor Lauterbach stond links aan de weg hotel Ludwigshof. 'Durchgehend Warme Küche'. Stoppen, afstappen, vragen, klaar. Motor in de garage, spullen naar de kamer, motorkleren uit, BIER!